Selecteer uw taal   
Samen met mijn moeder genieten van de natuur

Achtergrond

Dat hele grote vel papier dat steeds kleiner wordt
Een korte reis naar de wortels van Marjolein Bastin

Door Hans van de Willige

Marjolein Bastin wordt haar hele leven al gegrepen door de schoonheid van
de natuur. Al bijna net zo lang weet ze deze schoonheid te vangen in kleurrijke aquarellen. Composities van bloemen, planten en kleine dieren: vogels, vlinders en insecten, samengebracht in een sfeer van intimiteit. Haar geheim? Diepgaande kennis van de natuur gecombineerd met grote passie en vakmanschap. Marjolein Bastin wil de schoonheid van de natuur dicht bij de mensen brengen in de hoop dat het ze ontroert. Daarbij staat ze in een lange traditie.

De twintigste eeuw

Marjolein Bastin groeit op met het werk van Jac. P. Thijsse, onderwijzer, leraar en natuurbeschermer. ‘Die liefde, dat enthousiasme, die sfeer. Als je zijn boeken leest, ben je helemaal buiten. Zijn prachtige waarnemingen. Die man heeft daar uren gezeten, alles bekeken en begrepen waarom vroeg in de ochtend de wilde bijen juist naar die plant komen. Dat is zo mooi. Het geeft je een gevoel van rust en tijdloosheid. Je kunt de natuur je tempo niet opleggen, de natuur vertelt je zelf wat je tempo moet zijn.’

Ze bewondert ook zijn vermogen om, ondanks zijn wetenschappelijke achtergrond, iedereen enthousiast te maken. Collega’s raadden hem af aan de Verkade-albums te beginnen, maar Thijsse zette door. Daardoor heeft hij heeft hele generaties geleerd naar de natuur te kijken. Dat is ook wat Marjolein Bastin wil: de natuur naar de mensen brengen en daarvoor een zo breed mogelijk podium creëren. Deze drang verklaart haar populariteit overal ter wereld.

Tegelijk blijft de waardering voor collega’s die binnen de grenzen van de beeldende kunst gebleven zijn. De tekenaar en graficus Dirk van Gelder is daarvan in de twintigste eeuw de belangrijkste. Toen ze voor het eerst kennismaakte met zijn werk, was ze verbluft over zijn techniek en de manier waarop hij zijn onderwerpen in beeld bracht. 


En vooral over het ‘Van Gelder licht’: ‘licht zonder schaduw’. Ze vindt het jammer nooit kennis te hebben gemaakt met de in 1990 overleden kunstenaar, maar is ervan overtuigd hem door zijn werk te kennen. ‘Wat hij gemaakt heeft, dat is hij. En wat ik gemaakt heb, ben ik. Meer dan mijn lijf en alles wat ik doe en zeg. Mijn hele persoon ligt in mijn tekeningen. Dat is mijn rijkdom. Dat ben ik.’

De negentiende eeuw

De negentiende eeuw is de eeuw van de grote ontdekkingsreizen van mannen als Von Humboldt en Darwin. In die tijd worden de binnenlanden van Zuid-Amerika, Azië en Afrika in kaart gebracht. De fotografie wordt weliswaar uitgevonden, maar is pas tegen het einde van de eeuw praktisch toepasbaar. Overal ter wereld leggen daarom tekenaars de natuur vast, vaak in aquarel. Deze oude techniek wordt vanaf de vroege negentiende eeuw populair doordat de industriële fabricage van aquarelverf in metalen napjes het mogelijk maakt voordelige en onmiddellijk te gebruiken verfdozen aan te schaffen. De aquarelschilders bereiken een enorme virtuositeit. 

Op de kunstacademies wordt de techniek onderwezen, waarbij strenge regels gelden, zoals een verbod op het gebruik van dekverf – een regel waar ook Marjolein Bastin zich aan houdt.  Fouten kunnen hierdoor niet worden hersteld. In de twintigste eeuw gaat de academische traditie weer grotendeels verloren, met uitzondering van enkele groten als Paul Klee en Wassily Kandinsky. De academie is daarom voor Marjolein Bastin een grote frustratie. Van aquarelleren komt daar niets terecht. Ze schrijft zich in voor reclame-illustratief tekenen, maar als ze de academie voltooid heeft, heeft ze amper iets over tekenen geleerd. Wel over kleur en compositie, kennis waar ze ook nu nog van profiteert.

In de negentiende eeuw zijn de grondslagen van de biologie geformuleerd: de celtheorie, de evolutietheorie en de materialistische verklaring van het leven. Het heeft de kijk op de natuur totaal veranderd. Toch staat Marjolein Bastin in de oude traditie van het observeren en vastleggen. Ze heeft ook nooit overwogen om bioloog te worden. Ze hoeft niet alles van de natuur te weten, maar wil er deel van uitmaken. Ze voelt zich heel klein en nederig in de overweldigende natuur en wil die natuur zo zorgvuldig mogelijk vastleggen, zonder een hiërarchie aan te brengen. Vogel, grasspriet, torretje of boomstam, alles krijgt dezelfde liefdevolle aandacht.

De achttiende eeuw

In de achttiende eeuw zijn de meeste verwijzingen naar de vergankelijkheid van het leven, die de stillevens uit de Gouden Eeuw kenmerken, verdwenen. Decoratieve en picturale aspecten voeren de boventoon, net als vandaag in het werk van Marjolein Bastin. Dat wil niet zeggen dat bij haar geen diepere betekenissen kunnen worden ontdekt, ze zijn echter zeer subtiel aanwezig. Toen ze eens liep te piekeren over een probleem dat in haar hoofd groter en groter werd, vond ze een leeg slakkenhuis en werd getroffen door de ronde lijn die heel natuurlijk precies in het centrum eindigt. Ze dacht: zo moet ik gaan denken. Iets wat groot lijkt steeds kleiner maken, tot je bij de kern komt. In die zin krijgt zo’n eenvoudig slakkenhuis een diepere lading. Dat geldt ook voor haar herfststillevens. De symboliek is niet zwaar aangezet zoals in zeventiende-eeuwse vanitasstillevens, maar het gevoel van vergankelijkheid wordt wel degelijk tot uitdrukking gebracht.

De achttiende eeuw is ook voor Marjolein Bastin geen inspirerende tijd. Toch behoren de aquarellen van vogels en dieren van Aart Schouman tot de hoogtepunten van de aquarelkunst. Technische en compositorisch zijn er, toevallig of niet, duidelijke overeenkomsten met het werk van Bastin. 

De Gouden Eeuw

Schilders uit de Gouden Eeuw weten de werkelijkheid bedrieglijk echt te imiteren. Een heel bekend en – kijkend naar het werk van Marjolein Bastin – treffend voorbeeld is Het puttertje dat Carel Fabritius in 1654 schilderde. Fabritius legt het puttertje, of distelvinkje, weergaloos en ongewoon eenvoudig vast. De echte meesters van de illusie zijn in die tijd echter de stillevenschilders. Het stilleven ontwikkelt zich in die tijd tot een geliefde specialisatie, waarbij men zich in de regel richt op één genre, zoals het ontbijtje of het bloemstuk, waarvoor hoge prijzen worden betaald. Schilders als Abraham van Beijeren en Jan Davidsz de Heem wedijveren in het demonstreren van meesterschap. Het aanbod is enorm.

Hoewel Marjolein Bastin haar stillevens op dezelfde wijze ordent als haar voorgangers uit de Gouden Eeuw en net als hen let op een combinatie van verschillende materialen – hard en zacht, dof en glanzend, enzovoort – voelt ze zich meer verwant met kunstenaars die zich in de periferie bewegen. Die kiezen voor de barokke stijl van veel van hun collega’s, maar verstilling prefereren. Zoals Adriaen Coorte, die aan het einde van de zeventiende eeuw in Middelburg werkt. Hij kiest voor de eenvoud: een paar mispels waarboven een vlinder fladdert, een bundel asperges, een takje kruisbessen. De waardering voor Coorte is pas in de twintigste eeuw op gang gekomen.

Adriaen Coorte staat al met één been in de achttiende eeuw, de eeuw van de Verlichting. Het vastleggen van de natuur met als enig doel deze zo zorgvuldig mogelijk weer te geven, is in zwang geraakt. Coorte is uitsluitend kunstenaar, maar de Duitse kunstenares Maria Sibylla Merian is tegelijk ook entomologe. De entomologie, die in 1669 begint met een studie van Jan Swammerdam, houdt zich bezig met de studie van insecten. Maria Sibylla Merian is de eerste die insecten tekent in combinatie met de plant waarop ze gedijen. Ze doet uitgebreid onderzoek naar de levensloop van rupsen en vlinders, waarvan men Aristoteles’ oude idee aanhoudt dat ze uit vuil en modder ontstaan. Het hele proces van rups tot vlinder legt ze vast in een ‘studieboek’, dat de basis vormt voor haar in 1675 verschenen Neues Blumenbuch, waarvan later nog twee delen zullen verschijnen. Later reist Merian zelfs naar Suriname, waar ze de metamorfose van tropische insecten vastlegt in een groot aantal tekeningen en aquarellen.

Maria Sibylla Merian, die zich uiteindelijk in Amsterdam vestigt, is een van de grote voorbeelden voor Marjolein Bastin. In haar jeugd zoekt ze zelf ook al rupsen, die ze in potjes doet. Daarbij let ze goed op waar ze ze vandaan haalt, zodat ze hen de goede bladeren kan geven. Ze herkent de nieuwsgierigheid van Merian en heeft bewondering voor haar fabelachtige techniek.

Albrecht Dürer

‘De akelei’ is een van de mooiste gedichten van Ida Gerhardt. Daarin beschrijft ze hoe de Duitse kunstenaar Albrecht Dürer in 1504 werkt aan zijn aquarel van een akelei. Ze maakt duidelijk hoe Dürer het plantje vindt, voorzichtig uitgraaft, mee naar huis neemt, neerzet en begint te tekenen. Urenlang werkt Dürer aan de aquarel,

Totdat het gaaf te prijken stond:
De wortels scheem’rend afgerond,
Het uitgesprongen groene blad
Scherp in zijn karteling gevat
Tegen de lichte achtergrond;

De kunstenaar heeft iets kleins uit de natuur geïsoleerd en er kunst van gemaakt. Door de akelei te aquarelleren, maakt hij de schepping zichtbaar. Natuur wordt kunst, wij hebben geleerd zorgvuldig naar kunst te kijken, kunst kan er daarom voor zorgen dat wij meer aandacht krijgen voor de schoonheid van de natuur.

Albrecht Dürer is een vroege voorloper van Marjolein Bastin. Natuurlijk is hij een kind van zijn tijd en kan zijn werk niet los worden gezien van religieuze symboliek en iconografische tradities, maar in zijn natuurstudies legt hij zoveel geduld, liefde en aandacht voor detail dat zijn werk een voorbeeld wordt voor de natuurtekenaars die na hem komen. De echo van Dürer klinkt in de woorden van Marjolein Bastin over de essentie van het tekenen naar de natuur: ‘Het is eigenlijk het vertalen van iets waarvan je voelt dat het mooi is. Met mijn tekening moet ik bewijzen waarom het mooi is’.

 

Inloggen

Vul uw e-mailadres en wachtwoord in om in te loggen.
Mijn e-mail adres:
Mijn wachtwoord: (wachtwoord vergeten?)